P11 Toezicht op de patiënt met een kunstmatige luchtweg
Materialen
Noodzakelijk materiaal
- beademingsballon
- beademingstoestel
- materiaal voor zuurstoftoediening
Optioneel materiaal
- materiaal voor aspiratie
Voorbereiding
- deze procedure wordt mogelijks voorafgegaan en/of ondersteund door volgende procedures:
- de aspiratie wordt uitgevoerd zoals beschreven in de procedure “P 02 Aspiratie van de luchtweg bij een patiënt met een kunstmatige luchtweg – endotracheale tube (ETT) of supraglottische luchtweg”
- de zuurstoftoediening zoals beschreven in procedure “P 04 Toedienen van zuurstof”
- het beademen volgens de procedure “ P 07 Beademen met beademingsballon en masker”
Uitvoering
- observaties en handelingen bij het manueel beademen van een patiënt met een kunstmatige luchtweg:
-
maak gebruik van de beademingsballon volgens de juiste procedure
-
sluit zuurstof aan op de ballon en met een debiet van 15l/min
-
hou de zuurstofvoorraad in het oog en zorg tijdig voor vervanging
-
controleer of de borstkas telkens omhoog komt bij de beademing
-
let op voor het ritme en de kracht waarmee beademd wordt met het oog op het voorkomen van:
- maaguitzetting – controleer de vrije luchtweg
- hyperventilatie – beadem 12 keer per minuut bij een volwassene en vraag verpleegkundige of arts hoeveel keer te beademen bij kind/baby
- longbeschadiging – beadem rustig en met niet te grote volumes
-
spoor een eventueel luchtlek op, pas de handelingen aan om dit te voorkomen
-
zorg er steeds voor dat de kunstmatige luchtweg:
- niet loskomt, houdt de bevestiging steeds onder de aandacht
- niet afknikt
- geen tractie ondervindt
- een goed opgeblazen cuff heeft
- goed bevestigd is op de beademingsballon
-
hou steeds de parameters van de patiënt in het oog terwijl je de uiterlijke kenmerken van de patiënt waarneemt
-
observeer de patiënt op tegenademen, op bewegingen van de patiënt die de beademing tegenwerken, op een belemmerde luchtweg
- observaties en handelingen bij een patiënt met een kunstmatige luchtweg die beademd wordt met een beademingstoestel:
- hou de zuurstofvoorraad in het oog en zorg tijdig voor vervanging (bij minder dan 50 bar)
- het beademingstoestel wordt ingesteld en opgestart door de verpleegkundige of arts
- enkel de verpleegkundige of arts bedienen het toestel en voeren wijzigingen aan de instellingen door
- controleer of de borstkas telkens omhoog komt bij de beademing
- spoor een eventueel luchtlek op en pas de handelingen overeenkomstig aan om dit te voorkomen
- zorg er steeds voor dat de kunstmatige luchtweg:
- niet loskomt, houdt de bevestiging steeds onder de aandacht
- niet afknikt
- geen tractie ondervindt
- een goed opgeblazen cuff heeft
- goed bevestigd is op de beademingsballon
- hou steeds de parameters van de patiënt in het oog terwijl je de uiterlijke kenmerken van de patiënt waarneemt
- observeer de patiënt op tegenademen, op bewegingen van de patiënt die de beademing tegenwerken, op een belemmerde luchtweg
- Bij abnormaliteiten, afwijkingen, twijfel, onduidelijke situatie, onverwachte moeilijkheden vraag je de verpleegkundige of arts in bijstand
Nazorg / registratie
- positioneer de toestellen rond de patiënt zodat deze makkelijk te bekijken en bedienen zijn, maar niet in de weg staan
- na gebruik:
- controleer de houding van de patiënt
- controleer de vitale functies van de patiënt
- breng de kledij van de patiënt terug in orde
- noteer je actie/resultaat op het registratieformulier
Aandachtspunten
Je moet als hulpverlener-ambulancier beschikken over een goede kennis van de anatomie en fysiologie van het ademhalingsstelsel. Hiervoor wordt verwezen naar het desbetreffende hoofdstuk in het handboek voor de hulpverlener-ambulancier.
Zorg tijdens de uitvoering van de techniek voor een zo hygiënisch mogelijk werken.
Terug naar Wiki · overzicht Procedures - overzicht